In de jaren ‘80 en ‘90 hadden wij de kabinetten Lubbers, en realiseerde men zich dat de kosten de spuigaten uit liepen. Dat kon niet langer zo doorgaan. Maar de remedie bleek ernstiger dan de kwaal: van het doorslaan naar de ene kant wordt er doorgeslagen naar de andere kant. In plaats van een centraal maakbare samenleving moest die samenleving zichzelf maar gaan maken. We hebben het over de Europese neoliberale gedachte, die veel (internationale) aanhang kreeg in die periode, want ook andere Europese landen hadden hun eigen Den Uyl meegemaakt. De evenknie van Lubbers in het Verenigd Koninkrijk was Margaret Thatcher, een voorvechter van de vrije markteconomie. In de Verenigde Staten was dat Ronald Reagan. De aanpak? Houdt de overheid op afstand. Wat gebeurde er daardoor? Allereerst een verschuiving van de overheidsmacht naar de grote corporate ondernemingen, met mannen als Welsh en Branson als lichtend voorbeeld van het vrije ondernemerschap. Nou ja, hún vrijheid dan wel te verstaan. Een paar jaar later waren Clinton en Blair zover om de overheidsinstellingen zelf te verzakelijken. Zo ook in Nederland. Dat hebben we geweten!
In Nederland was het devies Nieuwe Zakelijkheid. Ons toverwoord Privatisering. En ons motto de Vrije Markt. Wat leverde ons dit op: de Quango!
Het toverwoord privatisering zorgde voor een prima dekmantel om afscheid te nemen van allerlei taken en diensten, die tot dan toe tot de overheid behoorden. Hele diensten en directies werden op afstand gezet en moesten zich gaan gedragen als echte bedrijven. We praten over organisaties, die puur vanuit de bezuinigingsdrift wel ‘marktpartij’ moesten worden. Men gebruikte er mooie volzinnen voor. Zoals: “Hybride organisaties zijn een mengvorm van markt en overheid en gevolg van een combinatie van verzelfstandiging en ondernemende overheid.” De bestaande semioverheid organisaties, die hun oorsprong vonden in de Wet op de publiekrechtelijke Bedrijfsorganisaties, welke dateert uit de 50’er jaren, werden dus aangevuld met een stapel nieuwe clubs.
Voor mij is duidelijk dat in die tijd bedrijven zijn ontstaan die geen bedrijf mogen heten. Die noemen we Quasi autonome non-gouvernementele organisaties. Kortweg Quango’s. Op weg naar een vrije markt!
Vrije markt? Welnee, dit was gewoon het creëren van een wettelijk speelveld, gemonopoliseerd en gereguleerd, waarin alleen de gevestigde orde het voor het zeggen had en waarin de politiek bewust afstand nam van zijn verantwoordelijkheid. Maar als je echt wil privatiseren omwille van een vrije markt dan moet je dat wel consequent doen. Dus niet allerlei instanties op afstand zetten en die vervolgens een monopolie geven. En ook niet de zaken kunstmatig gaan reguleren. Uiteraard moet men zich afvragen of iedere organisatie wel geschikt is om te privatiseren. Ik zeg altijd tijdens mijn lezingen:
“Als ik mijn been heb gebroken wil ik in het ziekenhuis terecht komen met de beste artsen, en dus niet per definitie in het ziekenhuis met de hoogste winst”.
Op het moment dat ik dit schrijf heeft het ministerie van Volksgezondheid met succes via de rechter vastgehouden aan het korten op de ziekenhuizen omdat ze hun budget hebben overschreden (omdat er meer patiënten zijn verzorgd). En die gaan dus ‘principieel’ in hoger beroep. Dat bedoel ik dus. Graag tolereer ik enige mate van onvoorspelbaarheid binnen sectoren zoals de gezondheidszorg, de energiemarkt en het onderwijs en ben ik bereid daar wat extra belasting voor te betalen. En of de privatisering van onze infrastructuur zoals kabelnetten, energiedistributie en vliegverkeer ons gelukkig maakt durf ik sterk te betwijfelen.
Quango instituties moesten zich dus gaan gedragen als bedrijven. Maar dat zijn ze echter niet. En daar wringen een heleboel schoenen. Quango’s ontwikkelen geen markt want die was en is er gewoon. Quango’s kennen geen concurrentie, want bij wet hebben ze al een monopoliepositie. De klanten (nou ja) van Quango’s hebben geen vrije keus om al of niet zaken te doen met deze clubs, ze moeten wel. De bestuurders van Quango’s zijn geen ondernemers, noch leiders zoals de multinationals die kennen. Het zijn vaak (ex-)politici of politieke vrienden. Iedereen kan zich bestuurder noemen, toch? Quango’s hebben niemand om verantwoording aan af te leggen, anders dan aan andere vrije markt regenten of aan een verdwaalde toezichthouder, die zelf ook weer een Quango is. Vergeet niet, dit alles kwam voort uit het idee om te bezuinigen… Maar door die monopolies zitten ’s Neerlands Quango’s op hele grote potten geld.